Pessimisme van het verstand, optimisme van de wil

Interview d’Alain de Benoist accordée à la revue flamande Tekos

Luc Pauwels: Waar gaan wij, waar gaat deze wereld naartoe?

Alain de Benoist: Omdat de geschiedenis altijd openblijft, kan men haar niet voorspellen. Maar men kan wel enkele grote tendensen opnoemen, die zich vandaag aftekenen en die ongetwijfeld belangrijke gevolgen zullen hebben in de komende decennia. Ik zal me beperken tot drie vaststellingen.

De eerste: Europa biedt vandaag het beeld van een landschap in puin. Alles verkeert er in crisis: we lijden onder een politieke en institutionele crisis, een economische en financiële crisis, een crisis van de sociale verhoudingen, een demografische, ecologische en migratie-crisis, een geestelijke, intellectuele en morele crisis. De heersende ideologie, die in wezen een morele ideologie met een juridische onderbouw is (de “mensenrechten”), leidt tot ontwrichting en chaos. Filosofisch gesproken is het niet overdreven om van nihilisme te spreken.

Op politiek vlak is de liberale democratie failliet. Wat vroeger als een pleonasme werd beschouwd, wordt vandaag als een oxymoron gezien, een inwendige tegenstelling: zoals Carl Schmitt (1888-1985) zei, hoe liberaler een democratie is, des te minder democratisch is zij. Men spreekt tegenwoordig van “postliberalisme” of “illiberalisme”. Tegelijkertijd verandert het politieke landschap volledig. De middenklassen, die aan het wegzakken zijn, sluiten zich aan bij de volksklassen om hun woede of afkeer te uiten.

Dat verklaart de geleidelijke ineenstorting van de vroegere “regeringspartijen” ten voordele van bewegingen en partijen van een ander type, die men graag samenbrengt onder de noemer “populisten”. De horizontale tegenstelling tussen links en rechts maakt plaats voor een verticale breuklijn, die het volk tegenover de falende elites stelt. De gevolgen daarvan zijn al zichtbaar in de Verenigde Staten, Italië, Hongarije, Slowakije en Polen. In de komende maanden en jaren zouden ook Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland wel eens kunnen kantelen.

Dat zal niet noodzakelijk leiden tot een radicaal betere situatie, vooral niet als politieke partijen halsstarrig blijven weigeren te begrijpen dat liberaal conservatisme eveneens een oxymoron is, en dat de vlucht vooruit binnen het kapitalisme nergens toe leidt. Soms gebeurt het, zoals in De luipaard van Lampedusa, dat alles verandert, opdat niets zou veranderen – maar toch mag men verwachten dat zich geheel nieuwe en ongekende constellaties zullen aandienen.

Tweede vaststelling: kunstmatige intelligentie (AI) maakt inmiddels deel uit van ons dagelijks leven. Het verschijnsel zal alleen maar toenemen, want het staat nog maar in zijn kinderschoenen. De breuklijn die alle andere zal overtreffen, is die tussen de verbonden en de niet-verbonden mensen. Tegelijk zal AI ook de middelen voor controle en toezicht, waarover de overheden nu al beschikken, drastisch uitbreiden.

De echte “Grote Vervanging”1 is op termijn de vervanging van de mens door de machine. Elke analyse, die geen rekening houdt met de komst van de mens-machine, is een bedrog. Alles lijkt erop te wijzen, dat de mens vandaag vastbesloten is de middelen te scheppen voor zijn eigen verdwijning. We moeten nadenken over wat Heidegger bedoelde, toen hij zei dat men de afhankelijkheid van de techniek alleen kan weerstaan door haar wezen te begrijpen en er in binnen te stappen.

Ten slotte, op internationaal vlak, lijdt het geen twijfel dat China momenteel op het punt staat de voornaamste wereldmacht te worden. Het beschikt nu al over alle middelen daartoe: in de kwestie van de douanetarieven was Peking het enige land dat weigerde met Washington te onderhandelen. Deze machtsstijging, die zich voornamelijk voltrekt ten koste van de Verenigde Staten, is een positieve zaak: China stijgt, de Verenigde Staten gaan achteruit.

Mocht het conflict de vorm aannemen van een oorlog – wat niet zeker is – dan is het helaas waarschijnlijk dat de Europeanen zich zouden scharen aan de Amerikaanse kant, in naam van een “westerse solidariteit” die geen bestaansreden meer heeft. Op termijn echter zal een multipolaire wereld de plaats innemen van de unipolaire of bipolaire wereld, die voortkwam uit de akkoorden van Jalta. De opvolging zal verzekerd worden door wat men tegenwoordig “beschavingsstaten” noemt: grote gebieden die, naar het voorbeeld van de vroegere rijken, smeltkroezen van macht en beschaving kunnen zijn, en daarbij hun naaste buren betrekken.

In de tijd van onze jeugd waren er het Westen, het communistische Oosten en de Derde Wereld, die steeds groter werd, maar geen stem had. Tegenwoordig is dat allemaal sterk veranderd, maar veel actoren en waarnemers zijn daar blijven steken – ook al zijn ze veel jonger dan wij… Hoe is dat te verklaren?

Het “Westen” stemt niet langer met iets reëels overeen; de Derde Wereld is vervangen door de BRICS2, en de Russische lezing van het einde van de Sovjet-Unie is in de eerste plaats een patriottische lezing (Stalin is er vandaag bij de ultranationalisten populairder dan ooit), wat de oorlog verklaart, waarbij in Oekraïne de NAVO tegenover het Kremlin staat.

Ja, de wereld is veranderd, maar velen gedragen zich alsof hij nog steeds dezelfde is. De populistische golf wordt gemakzuchtig geïnterpreteerd als een “terugkeer van extreemrechts”. Men vergeet alleen dat het in de jaren 1930 ondenkbaar was dat een extreemrechtse beweging geleid werd door een miljardair, een vrouw, een Jood, een moslim, een homoseksueel of een lesbienne!

De belangrijkste oorzaak is, dat het altijd moeilijk blijft om het historische moment waarin men leeft, te begrijpen. Om het te kunnen begrijpen, moet men afstand of hoogte nemen, om zo dat “fysiognomisch” inzicht te verwerven waarover Spengler sprak – anders verhinderen de bomen dat men het bos ziet.

Bij jongeren, die leven in eenafhankelijkheid van sociale netwerken en in eeuwigheden waarin het ene nieuwsfeit het andere verdringt, ziet men een toename van onwetendheid en het verdwijnen van oriëntatiepunten, waarvoor zij niet altijd zelf verantwoordelijk zijn. Ze lezen steeds minder, en dat geldt ook voor degenen die het dichtst bij ons staan. Veelzeggend genoeg herhalen ze, in het beste geval, kleine catechismussen en slogans die al meer dan een halve eeuw onveranderd zijn.

Nog ontmoedigender is dat ze precies weer dezelfde fouten maken die wijzelf hebben gemaakt. Ze tonen geen enkele nieuwsgierigheid naar “dwarsdenkende” auteurs van wie ze zouden kunnen leren, en verkiezen te leven op “tribale” wijze, onder elkaar, in de beslotenheid van de eigen groep. En omdat hun oudere vrienden koppig blijven geloven dat men nieuwigheden kan analyseren met verouderde conceptuele instrumenten, begrijpen ze niet dat men, om vooruit te gaan, niet voortdurend in de achteruitkijkspiegel kan blijven kijken.

De Europese pioniers komen op: Coudenhove-Kalergi, Jean Monnet, Robert Schuman, Altiero Spinelli en zijn MFE, Walter Kunnen en zijn Beweging voor de Verenigde Staten van Europa… De meest lucide (of: scherpzinnige) lijkt mij Jean Thiriart te zijn geweest met zijn genuanceerde slogan: ‘Tegen Moskou, zonder Washington, voor Europa’. Wat denk jij daarvan?”

De namen van de “Europese pioniers” waarover je spreekt, zeggen tegenwoordig niemand nog iets. De wens om “Verenigde Staten van Europa” te creëren, heeft er slechts toe geleid dat de USA in Europa versterkt werden! We hebben lang gehoopt een verenigd Europa te zien ontstaan, boven de regio’s en de naties uit. Het federalisme leek ons een middel om de grote staten te federaliseren en de kleine te verenigen. Toen onze hoop werd teleurgesteld, zegden we tegen onszelf dat een slecht Europa nog altijd beter was dan helemaal géén Europa (eens de vorm gecreëerd, kon men de inhoud altijd nog verbeteren). Ik denk dat dat een illusie was.

Op lange termijn geloof ik natuurlijk nog steeds in Europa, maar vandaag valt het in de hoofden van de mensen samen met de Europese Unie. En die doet de Europese volkeren geen goed – integendeel, ze berokkent hun veel schade. In plaats van problemen op te lossen, heeft ze er alleen maar nieuwe gecreëerd. Vanaf het begin hebben de “pioniers” de nadruk gelegd op handel en industrie, in plaats van op politiek en cultuur (Jean Monnet heeft het gehaald van Denis de Rougemont). Wij hoopten een machtig Europa te zien ontstaan, maar kregen een markt-Europa, dat vandaag een van de belangrijkste dragers is van de heersende ideologie.

Het is een machteloos, verlamd, geruïneerd, geheugenloos Europa, opengesteld voor alle winden, dat zich voortdurend verontschuldigt voor zijn verleden en weigert zijn eigenheid te erkennen, door zich te definiëren als bewaarder van de “universele waarden” en kampioen te zijn van de “mensenrechten”. Het kijkt als toeschouwer toe bij de grote actuele gebeurtenissen (Oekraïne, het Midden-Oosten, enz.), omdat het daarin geen rol kan spelen – niemand neemt het nog ernstig. Althans op korte termijn valt er niets van te verwachten.

Jean Thiriart (1922-1992) stond, denk ik, op een nog radicalere wijze vijandig tegenover de Verenigde Staten dan jij het zegt. Hij had in elk geval de verdienste om één van de zeldzame echte theoretici te zijn die de radicale rechterzijde sinds 1945 heeft voortgebracht. Toch is ook hij grotendeels in vergetelheid geraakt. Zijn project was bovendien vrij utopisch.

Thiriart, wiens geestelijke leermeesters Machiavelli, Pareto en Lenin waren, hoopte een “Jong Europa” te stichten dat op Europese schaal een rol zou spelen vergelijkbaar met die van de Giovane Italia van Giuseppe Mazzini (1805-1872) bij de Italiaanse éénwording. Die droom is snel vervlogen. Thiriart, overigens een fel tegenstander van het politiek romantisme en van het idee van een “Europa van de honderd vlaggen”, was in wezen een jakobijn, zoals veel nationaal-bolsjewieken. Hij wilde bovendien van Constantinopel (Istanboel) de hoofdstad van het toekomstige Europa maken…

Hoe is in deze ideologische en politieke context de strekking ontstaan die men al snel Nieuw Rechts heeft genoemd?

Zij ontstond in 1967-1968 uit het gezamenlijke denken van een aantal verantwoordelijken die eerder actief waren geweest binnen de Fédération des étudiants nationalistes (FEN, Federatie van Nationalistische Studenten). Het doel – althans voor mij – was drievoudig: afstand nemen van de politieke actie, die als onvruchtbaar werd beschouwd, ten gunste van denkwerk en een cultureel actieprogramma; breken met een radicale rechterzijde die zich in een voorbijgestreefd denkkader bevond; en de grondslagen leggen van een nieuw theoretisch corpus, als het ware van nul af aan opnieuw beginnen.

Er zou veel meer ruimte nodig zijn dan ik hier heb, om in detail de omstandigheden te beschrijven waarin dat alles tot stand kwam, en om er vandaag een balans van op te maken. Zoals ik uitvoerig heb uiteengezet in mijn memoires, Mémoire vive (2012), kan men zich daarop altijd beroepen.

Hoe heette onze denkrichting vóór een bepaalde pers ze “Nieuw Rechts” doopte?

Zij had eenvoudigweg geen naam. De benaming Nouvelle École (“Nieuwe School”), die de titel was (en nog steeds is) van het eerste tijdschrift van de toekomstige Nouvelle Droite – met een indirecte verwijzing naar de “nieuwe school” van Georges Sorel – werd soms gebruikt, maar slechts sporadisch. De termen grécisme of grécistes hebben nooit ingang gevonden. Pas tijdens de grote campagne van de zomer van 1979 hebben onze tegenstanders de uitdrukking Nouvelle Droite (“Nieuwe Rechterzijde”) bedacht en gelanceerd, en die heeft zich uiteindelijk doorgezet.

Deze benaming heeft mij nooit echt bevredigd vanwege haar dubbelzinnigheid, zoals ik al vaak heb gezegd. Vandaag vind ik haar nog minder bevredigend, omdat in de loop der jaren allerlei “nieuwe rechterzijden” zijn opgedoken, hier en daar, waarin de “historische” Nouvelle Droite zich helemaal niet herkent. Ik denk in het bijzonder aan de Amerikaanse New Right, waarvan de liberale ideeën diametraal tegen die van de Franse of Europese Nouvelle Droite staan.

Wat betreft haar strategie wordt Nieuw Rechts vaak als “gramscistisch” aangeduid. Wat moet men daar precies onder verstaan?

Antonio Gramsci (1891–1937) was een van de oprichters van de Italiaanse Communistische Partij. Afkomstig uit Sardinië (en in verder verleden van Albanese herkomst) verdedigde hij een heterodoxe vorm van marxisme die, naast zijn kritiek op het stalinisme en zijn afwijzing van het economisch determinisme, hem ertoe bracht een theorie van culturele hegemonie te formuleren. Die theorie was gebaseerd op de overtuiging dat men, in ontwikkelde landen, de politieke macht niet duurzaam kan veroveren zonder eerst de culturele macht in de wacht te hebben gesleept (de filosofen van de Verlichting gaan aan de Franse Revolutie vooraf, Marx aan Lenin, enz.).

Hij vertrouwde die taak toe aan wat hij noemde de “organische intellectuelen”.
Deze theorie werd door de Nouvelle Droite overgenomen omdat ze uitstekend aansloot bij haar eigen manier van denken. Zo kon men reeds in de jaren 1970 spreken van een “gramscisme van rechts”. Die uitdrukking wordt tegenwoordig steeds vaker gebruikt in conservatieve kringen – die er slechts een halve eeuw over hebben gedaan om te beseffen dat er misschien iets van te leren viel!
Men moet er ook op wijzen dat de invloed van Gramsci merkbaar is in de “postkoloniale” studies, evenals in de “neo-gramsciaanse” theorie van de internationale betrekkingen, ontwikkeld door de Canadees Robert Cox.

Vanwaar en waarom de overgang van G.R.E.C.E. naar Iliade?

Er is eigenlijk nooit sprake geweest van een echte “overgang” van GRECE naar Iliade. Vanaf de jaren 1990 heeft GRECE zijn publieke activiteiten (jaarlijkse colloquia, zomerscholen, lezingen, enz.) bewust teruggeschroefd, omdat die te veel tijd in beslag namen, om zich volledig te kunnen wijden aan zijn uitgeefprogramma.

Dominique Venner had, kort voordat hij in mei 2013 zelfmoord pleegde, de wens geuit dat er een instituut zou worden opgericht dat zich opnieuw zou toeleggen op de vorming van jongeren. Om aan die wens tegemoet te komen, hebben verschillende van onze vrienden – onder wie Jean-Yves Le Gallou en Philippe Conrad – het Institut Iliade opgericht. Dat organiseert nu jaarlijks een congres, dat telkens een groot succes is. In samenwerking met de redactie van het tijdschrift Éléments, is het tevens begonnen aan zijn eigen uitgeefprogramma.

Iliade heeft al meerdere “generaties” stagiairs opgeleid en breidt vandaag zijn projecten steeds verder uit. Het is zonder twijfel een succes.
In veel opzichten laat het Institut Iliade zich inspireren door GRECE van de jaren 1970, maar zonder noodzakelijk alle nieuwe oriëntaties over te nemen die de Nouvelle Droite in de afgelopen veertig jaar heeft aangenomen. Zo specialiseert ieder zich in de activiteiten die het best bij hem passen.

Waarom heeft Nieuw Rechts het nominalisme als filosofische benadering opgegeven?

In de jaren zeventig heb ik mij herhaaldelijk op het nominalisme beroepen, onder invloed van onze vriend Armin Mohler (1920-2003), die het beschouwde als het tegendeel van het universalisme. Ik heb daarvan afstand genomen toen ik, na het onderwerp grondiger te hebben bestudeerd, besefte dat de nominalistische filosofie, samen met de tweede Spaanse scholastiek, in werkelijkheid als de grote voorloper van het moderne individualisme moet worden beschouwd.

Het nominalisme beperkt zich immers niet tot de kritiek op de “universalia”; het stelt ook dat “er geen zijn bestaat buiten het afzonderlijke zijn”. Dat betekent dat het ook elk collectief afwijst dat zich tussen het individu en de mensheid bevindt. Diezelfde houding vindt men terug bij liberale auteurs, die in volkeren, talen, naties en culturen slechts een eenvoudige verzameling individuen zien — wat hen ertoe brengt te vervallen in het reductionisme (de theorie volgens welke geen enkel geheel, als geheel, eigenschappen bezit die niet in elk van zijn onderdelen terug te vinden zijn).

Men hoeft maar een willekeurig filosofiehandboek te raadplegen om vast te stellen dat alle liberalen zich op het nominalisme beroepen, waaruit ook het methodologisch individualisme voortkomt – het paradigma van de sociale wetenschappen, volgens hetwelk collectieve verschijnselen uitsluitend kunnen worden verklaard vanuit de handelingen van afzonderlijke individuen. De individuen worden zo de enige drijvende organen van collectieve entiteiten: dat opent de deur naar wat Heidegger de metafysica van de subjectiviteit heeft genoemd.

Het reductionisme is het tegendeel van het holisme, dat stelt dat de eigenschappen van individuen slechts kunnen worden begrepen in relatie tot de eigenschappen van de gehelen of collectiviteiten waartoe zij behoren. Voor ons is de aarde niet in de eerste plaats bevolkt door individuen, maar door volkeren en culturen. Het tegendeel van het universalisme is dus niet het nominalisme – waarvan Mohler zich overigens een zeer persoonlijke voorstelling maakte – maar wel het particularisme, of het collectieve singularisme. Diversiteit is niet enkel individueel, maar ook collectief.

Wat zijn de belangrijkste boeken die over Nieuw Rechts zijn verschenen?

Het antwoord is moeilijk, want tot op heden zijn er al meer dan tweehonderd boeken, academische studies of speciale themanummers van tijdschriften over de Nouvelle Droite gepubliceerd. In Frankrijk blijft het beste boek over de ND ongetwijfeld dat van Pierre-André Taguieff, Sur la Nouvelle Droite (Parijs, 1994), maar het nadeel daarvan is dat het niets zegt over de ontwikkeling van Nieuw Rechts in de afgelopen dertig jaar. Dat kan worden aangevuld met Alain de Benoist à l’endroit. Un demi-siècle de Nouvelle Droite van François Bousquet (Parijs, 2023).

In het Engels vermeld ik het boek van Michael Torigian, New Culture, New Right. Anti-Liberalism in Postmodern Europe (Lanham, 2005); in het Duits dat van Michael Böhm, Alain de Benoist und die Nouvelle Droite in Frankreich. Ein Beitrag zur politischen Ideengeschichte des 20. Jahrhunderts (Münster, 2008); in het Spaans dat van Rodrigo Agulló, Disidencia perfecta. Una aproximación a la “Nueva Derecha” francesa (Madrid, 2011); en in het Pools dat van Pawel Bielawski, Apostazja Europy. Miejsce i rola religii w mysli Alaina de Benoist i Francuskiej Nowej Prawicy (Biala Podlaska, 2024), dat dit jaar ook in het Engels werd vertaald als European Apostasy. The Role of Religion in the European New Right (Londen, 2025).

Maar het is waarschijnlijk in Italië dat het meest diepgaande werk over dit onderwerp is verricht, met name dankzij de boeken van Costanzo Preve, Il paradosso de Benoist. Un confronto politico e filosofico (Rome, 2006); Massimiliano Capra Casadio, Storia della Nuova Destra. La rivoluzione metapolitica dalla Francia all’Italia (1974-2000) (Bologna, 2013); Matteo Luca Andriola, La Nuova Destra in Europa. Il populismo e il pensiero di Alain de Benoist (Vedano al Lambro, 2014); en Luca Paterlini, Identità in frantumi. Il liberalismo e la dissoluzione del legame sociale in Jean-Claude Michéa e Alain de Benoist (Napels, 2024).

Wat betreft de “belangrijkste” boeken die door de ND zijn gepubliceerd, zal ik mij ervoor hoeden te proberen een uitputtende lijst op te stellen. Dat zou een onmogelijke opgave zijn! Ik verwijs vanzelfsprekend naar mijn eigen werken, maar ook naar die van allen die binnen onze beweging de afgelopen vijftig of zestig jaar hebben geschreven en gepubliceerd: Guillaume Faye, Giorgio Locchi, Michel Marmin, Yves Christen, Jacques Marlaud, Jean-Marie Legrand (Pierre Le Vigan), Jean Mabire, Jean-François Gautier, François Bousquet, Rémi Soulié, Guillaume Travers, Antoine Dresse, Rodolphe Cart, Nicolas Gauthier, Michel Lhomme, Yves Branca, Jesús J. Sebastián, Javier Ruiz Portella, Marco Tarchi, Giuseppe Giaccio, Eduardo Zarelli en zovele anderen. Maar ongetwijfeld vergeet ik er nog!

Welke toekomst zie je voor Nieuw Rechts?

Ik heb het aan het begin van dit gesprek al gezegd: de geschiedenis blijft altijd open, want zij is per definitie het domein van het onvoorziene. Als zij voorspelbaar zou worden, zou zij alle belang verliezen. Nieuw Rechts bestaat inmiddels bijna zestig jaar – een zeldzaam lange levensduur voor een denkschool. In de toekomst zal zij worden, wat degenen die zich erop beroepen er zelf van zullen maken. Ik zal er niet meer zijn om het te zien.

Jean Mabire zei: “Wij hebben de wereld niet veranderd, maar de wereld heeft ons evenmin veranderd.” Lang vóór hem gaf Antonio Gramsci ons het volgende devies mee: “Pessimisme van het verstand, optimisme van de wil.”

1 Een verwijzing naar Le Grand remplacement, een boek uit 2010 van de Franse auteur Renaud Camus.

2 BRICS is een politiek en economisch samenwerkingsverband van momenteel 11 landen. Het acroniem stond oorspronkelijk voor Brazilië, Rusland, India, China en Suid-Afrika. In 2024 zijn ook Egypte, Ethiopië, Iran, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Indonesië als lidstaten toegetreden.